Vissoorten in onze vijver

Blankvoorn

Deze vis komt het meest voor in onze visvijver en wordt daar ook veel bevist. In de vijver gedijt de vis goed en kan het aangeboden aas dikwijls niet weerstaan. De blankvoorn heeft een rugvin, welke van opzij gezien, rechtsboven de buikvin begint. In de bovenzijde van het oog heeft de vis een oranje vlek. De kleur is afhankelijk van de omgeving waarin de blankvoorn leeft, doch meestal is de rug donker van kleur en de flanken zilverwit. De borstvinnen hebben meestal een oranjeachtige kleur. De bek wijst naar voren (eindstandig). De blankvoorn is na ongeveer 3 tot 5 jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes iets later dan de mannetjes. De paaitijd ligt rond de maand mei. De jonge blankvoorn voedt zich voornamelijk met watervlooien. De volwassen blankvoorn eet eigenlijk alles; van slakjes, wormen, kleine mosselen tot zachte waterplanten. Doordat de blankvoorn keeltanden heeft, kan de vis wat harder voedsel eten. Blankvoorns leven meestal in scholen. De blankvoorn is de meest voorkomende zoetwatervis van Nederland. De maximale leeftijd van de blankvoorn ligt rond de 12 jaar. Een grote blankvoorn is er een van 35 centimeter. Vissen van meer dan 45 centimeter worden zelden gevangen. De blankvoorn wordt nogal eens verward met de ruisvoorn of winde.


Ruisvoorn

Deze vis wordt doorgaans het meest gevangen in de zomermaanden. Boven in 't water rondzwemmend op zoek naar een lekker hapje. Ook is deze vis best sterk en staat zijn mannetje. De ruisvoorn is een groen/bronskleurige vis met een goudachtige schittering op de rug en een zilverwitte buik. De vis heeft een bovenstandige bek, een goudkleurige iris en de voorzijde van de rugvin begint duidelijk achter de voorzijde van de buikvinnen. De buik en anaalvinnen zijn oranje tot donkerrood van kleur. De ruisvoorn kan makkelijk verward worden met de blankvoorn, doch de blankvoorn heeft een rode vlek boven het oog, de bek is eindstandig en de rugvin begint ter hoogte van de buikvinnen. De ruisvoorn is na ongeveer 2 tot 3 jaar (mannetjes eerder dan de vrouwtjes) geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen mei en juli. De jonge ruisvoorn voedt zich voornamelijk met watervlooien. De oudere ruisvoorn gaat over op insectenlarven, slakjes en kreeftachtigen. De ruisvoorn voedt zich bovendien met waterplanten en insecten die op het wateroppervlak vallen. De ruisvoorn komt in vrijwel heel Nederland voor, doch is zeer gevoelig voor watervervuiling. De ruisvoorn heeft een voorkeur voor stilstaande wateren, grote plassen en kleine rivieren. De ruisvoorn verblijft voornamelijk in helder water en in de nabijheid van waterplanten. Een grote ruisvoorn is een vis langer dan 35 centimeter en zwaarder dan een pond. De vis kan echter tot 45 centimeter groot en meer dan 4 pond worden (al is in het laatste geval de vis dan meestal een kruising met een brasem). De ruisvoorn kan 20 jaar oud worden.


Winde

De winde is evenzo een mooie gast in ons viswater. Een prachtige vis die moeilijk te vangen is. Hij laat zich niet snel verleiden door een aangeboden aasje. De winde is een vis die op een blankvoorn, ruisvoorn en kopvoorn lijkt. Een duidelijk herkenningspunt van de winde is een ietwat hol ingesneden anaalvin. Daarnaast heeft een winde een minder ronde rug en buik. De 56 tot 61 schubben op de zijlijn van de winde voelen wat ruw aan. Opvallend is dat de iris van het oog dezelfde kleur heeft als de rest van de kop van de winde. De winde heeft een zilver- tot geelwitkleurige buik en een groenzwarte rug. Alle vinnen zijn grijsachtig, de buikvinnen echter meestal oranje/rood. De bek wijst naar voren (eindstandig). De winde is na ongeveer 3 a 4 jaar geslachtsrijp. De paaitijd begint in maart en duurt tot de maand mei. De jonge winde voedt zich voornamelijk met watervlooien en waterplanten. De volwassen winde eet tevens insecten en soms vis. Jonge windes leven vaak in dichte scholen. De winde is een in populatie groeiende vis, die in de meeste grotere wateren in Nederland voorkomt. De maximale leeftijd van de winde ligt rond de 18 jaar. Een grote winde is er één van 70 centimeter. Vissen van meer dan 80 centimeter worden zelden gevangen.


Brasem

De brasem is een grijsbruin gekleurde vis, met zilverkleurige flanken, die -naarmate de brasem groter wordt- bronskleuriger worden. De brasem heeft 12-14 schubben tussen de rugvin en zijlijn. De vis heeft een, ver uitstulpbare, onderstandige bek. De brasem is na ongeveer zes jaar geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen april en juni. De brasem is een bodemvis die voornamelijk van watervlooien en kleine bodemorganismen leeft. Brasems leven in scholen in voornamelijk stilstaande wateren en traag stromende benedenrivieren. Tegenwoordig komt de brasem in bijna heel Nederland voor. Algemeen wordt gedacht dat de brasem en sterk troebel water (vaak water dat vaak teveel meststoffen bevat -eutroof water-) bij elkaar horen. De brasem is weliswaar een algemene vis in dit soort water, maar groeit hier echter slecht en is vaak in een slechte conditie. De overlevingskansen van jonge brasem in troebel water zijn echter groter, omdat troebel water een handicap is voor roofvis. De jonge brasems eten de algen etende watervlooien, waardoor de algen (en de vertroebeling) toenemen. Een terugbrenging van de meststoffen in het water en het verwijderen van brasems kan ervoor zorgen dat het water wederom helder wordt. De maximale leeftijd ligt rond de 15 jaar. Een grote vis is een brasem langer dan 50 centimeter en zwaarder dan 3 pond. Brasems van rond de 10 pond zijn een zeldzaamheid. De vis kan tot 90 centimeter groot worden.


Bliek

Deze vis wordt doorgaans het meest gevangen in de zomermaanden. Boven in 't water rondzwemmend op zoek naar een lekker hapje. Ook is deze vis best sterk en staat zijn mannetje. De ruisvoorn is een groen/bronskleurige vis met een goudachtige schittering op de rug en een zilverwitte buik. De vis heeft een bovenstandige bek, een goudkleurige iris en de voorzijde van de rugvin begint duidelijk achter de voorzijde van de buikvinnen. De buik en anaalvinnen zijn oranje tot donkerrood van kleur. De ruisvoorn kan makkelijk verward worden met de blankvoorn, doch de blankvoorn heeft een rode vlek boven het oog, de bek is eindstandig en de rugvin begint ter hoogte van de buikvinnen. De ruisvoorn is na ongeveer 2 tot 3 jaar (mannetjes eerder dan de vrouwtjes) geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen mei en juli. De jonge ruisvoorn voedt zich voornamelijk met watervlooien. De oudere ruisvoorn gaat over op insectenlarven, slakjes en kreeftachtigen. De ruisvoorn voedt zich bovendien met waterplanten en insecten die op het wateroppervlak vallen.
De ruisvoorn komt in vrijwel heel Nederland voor, doch is zeer gevoelig voor watervervuiling. De ruisvoorn heeft een voorkeur voor stilstaande wateren, grote plassen en kleine rivieren. De ruisvoorn verblijft voornamelijk in helder water en in de nabijheid van waterplanten.
Een grote ruisvoorn is een vis langer dan 35 centimeter en zwaarder dan een pond. De vis kan echter tot 45 centimeter groot en meer dan 4 pond worden (al is in het laatste geval de vis dan meestal een kruising met een brasem). De ruisvoorn kan 20 jaar oud worden.


Giebel

De giebel is een wat vreemde vis in de Nederlandse wateren. Het is het broertje van de goudvis, een oranjerode giebel. daarom wordt de giebel ook wel de 'wilde goudvis' genoemd. De goudvis zul je echter in het wild nog maar sporadisch aantreffen. Door de opvallende kleur van de goudvis wordt hij sneller door predatoren gezien en aangevallen. De giebel heeft zich in de Nederlandse wateren staande weten te houden, hetzij op beperkte schaal. Hij lijkt op een kroeskarper en wordt daar ook vaak mee verward. De giebel heeft echter geen tastdraden en is zilverwit van kleur oplopend naar een lichte bronsachtige kleur op de rug. Hij heeft een hol ingesneden rugvin en de eerste vinstraal op de rug is hard en getand. De paaitijd van de giebel ligt zo tussen mei en juni. Het opvallende is dat de giebel zich ook kan voortplanten, zonder dat er bevruchting heeft plaatsgevonden. In dat geval legt het vrouwtje eitjes waaruit alleen vrouwelijke giebels komen.
De giebel voedt zich voornamelijk met watervlooien, plantaardig materiaal en kleine kreeftachtigen.
De giebel komt in Nederland op diverse plaatsen voor, maar heeft een voorkeur aan die plaatsen waar het water een flinke stroming heeft, zoals rivieren. Echt talrijk komt de giebel echter niet voor. Over de maximale leeftijd van de giebel is niet veel bekend. Een grote giebel is er een van 30 centimeter. Vissen van meer dan 40 centimeter worden zelden gevangen.


Kroeskarper

De kroeskarper is een vis die nog wel eens wordt verward met de giebel. In tegenstelling tot de giebel heeft de kroeskarper echter geen neusje en is de kroeskarper koper/bronsachtig van kleur. De kroeskarper heeft geen baarddraden en een opvallend hoge rug. De kroeskarper is na ongeveer 2 tot 4 jaar geslachtsrijp, de mannetjes eerder dan de vrouwtjes. De paaitijd begint in mei en duurt ongeveer tot de maand juni. De kroeskarper voedt zich voornamelijk met kreeftachtigen en waterplanten. Het is een sterke vis, die in ondiepe wateren goed kan overleven, doch komt voornamelijk in diepere meren en plassen voor. De kroeskarper komt in het westen van Nederland veelvuldig voor. In het oosten in iets mindere mate.
De maximale leeftijd van de kroeskarper ligt rond de 10 jaar. Een grote kroeskarper is er een van 40 centimeter. Vissen van meer dan 50 centimeter worden zelden gevangen.


De karper is een vis apart.... door velen bevist en evenzo op allerlei verschillende manieren. Deze vis is een echte slimmerik en vraagt steeds op een andere wijze te worden benaderd om hem te kunnen vangen. In visvijver 't Turkaa komt deze vis ook voor maar in een klein aantal. De karpercommissie van onze vereniging is in grote mate verantwoordelijk voor het karperbeleid. De commissie zorgt voor informatie en materiaal om dit beleid op een juiste wijze te kunnen behartigen en een voor ons viswater goed karpermilieu op te zetten en te behouden. De karper varieert in kleur, vorm en manier waarop de schubben aan het lijf zitten. De karper heeft vier tastdraden om de bek; twee grote bij de mondhoeken en twee kleinere op de bovenlip (bastaardvormen hebben twee baarddraden). De 'wilde' karper heeft een lange, bol ingesneden, rugvin en 35 tot 40 schubben op de zijlijn. Er bestaat ook een wilde slanke geschubde variëteit (de boerenkarper). Er zijn gekweekte karpervariëteiten, waarbij de schubben ontbreken (naaktkarper), met onregelmatig over het lijf voorkomende schubben van verschillend formaat (spiegelkarper), met grote rijen schubben op de zijlijn (rijenkarper) of met een opvallend goud/oranje kleur (goudkarper). Daarnaast bestaan er in Nederland andere karperachtigen (zilverkarper, grootkopkarper, graskarper en kroeskarper), maar deze behoren niet tot de familie van de cyprinus carpio, maar tot een ander geslacht. De karper is na ongeveer 3 tot 5 jaar geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen mei en juni. Alleen in zeer gunstige zomers zorgt de karper in Nederland voor nageslacht. De jonge karper voedt zich voornamelijk met watervlooien. De oudere karper gaat over op insectenlarven, wormen, mosselen en kreeftachtigen. Karpers zijn echte bodemvissen. De karper komt in vrijwel heel Nederland voor, doch heeft een voorkeur voor grotere wateren en langzaam stromende rivieren. Een grote vis is een karper langer dan 78 centimeter en zwaarder dan 20 pond. De vis kan echter tot 120 centimeter groot en enkele tientallen jaren oud worden. Vangsten van meer dan 40 pond behoren tot de uitzonderingen.
De allergrootste karper, die ooit met de hengel is gevangen, stamt uit Frankrijk en woog 74 pond.


Zeelt

De zeelt is een zeer sterke vis die mede daardoor ook wel in de volksmond de "groene karper" wordt genoemd. In de visvijver van onze vereniging is deze vis ook te vangen. Een prachtige vis om te bevissen met een dikkere lijn en stevige hengel. De groengetinte schubben schitteren in het zonlicht. Het is een groenbruin gekleurde vis. Naar de rug en kop toe wordt de kleur donkergroen/bruin tot zelfs zwart. De zeelt heeft een opvallend oranjegekleurd oog, een opvallend dikke slijmlaag en twee korte baarddraden. De zeelt is na ongeveer drie tot vier jaar geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen mei en juni. De zeelt is een vooral nachtelijke bodemvis, die voornamelijk van watervlooien, kleine bodemorganismen en waterplanten leeft. Ook op zonnige dagen in het voorjaar is het goed zeelt vangen. Zeelten leven in voornamelijk stilstaande en traag stromende wateren, die zijn voorzien van een modderige bodem. De zeelt komt in zo goed als heel Nederland voor. De zeelt kan tot 65 centimeter lang worden. Een grote zeelt is langer dan 50 centimeter en zwaarder dan 4 pond. Zeelten van rond de 9 pond zijn een zeldzaamheid.
Het Nederlands record stamt uit 1983; 9 pond en 475 gram.


Baars

De baars is een veel geziene gast in de vijver. Dikwijls zie je deze rover achter andere vissoorten zwemmen om die zo mogelijk te verschalken. In onze vijver zijn al exemplaren van meer dan 40 cm. gevangen... echte kanjers dus. De baars heeft twee gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste is voorzien van harde stekels en een zwarte vlek. Over de flanken lopen zes tot acht donkergekleurde banden. De baars heeft een groenbruine rug, die op de flanken overgaat in een lichtere tot goudachtige kleur. Deze kleur is enigszins afhankelijk van de grootte en de vangstplaats. De baars is na ongeveer twee jaar (mannetjes) en drie jaar (vrouwtjes) geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen maart en april. De jonge baars voedt zich voornamelijk met plankton. De oudere baars gaat grotere ongewervelden eten en voedt zich meer met vis. Jonge baarzen leven vaak in scholen. De oudere baarzen vaak alleen in dieper water. De baars komt in vrijwel heel Nederland voor. De maximale leeftijd ligt rond de 6 jaar. Een grote vis is een baars langer dan 40 centimeter en zwaarder dan 2 pond. Vissen van rond de 5 pond komen echter voor. De vis kan tot 50 centimeter groot worden.
In de periode van 01 juli tot 01 maart is het bij wet toegestaan, voor het gebruik als aasvis, maximaal 30 baarzen te bezitten met een lengte kleiner dan 15 centimeter.
H.S.V. 't Turkaa heeft hiervoor eigen regels gesteld en die kunt u vinden bij uw vispapieren.


Snoek

De snoek is ook een vissoort die ons watertje aandoet. Deze vis hoedt mede de visstand op peil en zorgt voor aktie onder water. Enkele leden van de vereniging vissen op de snoek in de tijd van openstelling om de vis te mogen bevissen. H.S.V. 't Turkaa heeft wat betreft de snoek en het bevissen van deze vis eigen regels opgesteld. Deze vindt u in uw vispapieren. De snoekheeft een anaalvin en een rugvin. Beiden bevinden die zich ver achter op het lichaam. De snoek heeft een groenbruin/grijsbruine kleur, die op de flanken overgaat in goudkleurige vlekken, echter de kleur kan per gebied enigszins verschillen. De kop loopt uit in een brede, platte bek. De onderkaak van de snoek steekt ver uit voor de bovenkaak. De snoek is geslachtsrijp als deze ongeveer 35 centimeter lang is, de vrouwtjes iets later. De paaitijd ligt tussen april en mei. De jonge snoek voedt zich voornamelijk met watervlooien en kleine kreeftachtigen. De oudere snoek gaat grotere gewervelden eten en voedt zich meer met, voornamelijk vis en kikkers. De snoek komt in vrijwel heel Nederland voor, met name in stilstaand of lichtstromend water, met het liefst veel onderwater- en oeverbeplanting. Een grote snoek is een vis van rond de 80 centimeter en 10 pond. De vis kan echter tot 140 centimeter bij 40 pond groot worden.


Paling

De paling komt en gaat.... en wordt met regelmaat in de vijver uitgezet om de soort in de vijver te behouden.De aal of paling is een slangachtige vis met een lichtkleurige buik en een bronskleurige rug die bovenop zwart is. Overigens varieert de kleur van de paling, afhankelijk van de leeftijd en de plaats. De heeft een onderkaak die langer is dan de bovenkaak. De borstvinnen bevinden zich direct achter de kop, de buikvinnen ontbreken. De paling trekt na ongeveer 5 jaar zich terug naar zee om zicht voort te planten. De paling veranderd dan ook van kleur. de vis krijgt een zilverwitte buik, een zwarte rug en het oog wordt groter. Vanaf dit moment wordt de paling ook wel schieraal genoemd. Het voortplanten gebeurt waarschijnlijk in de Sargasso zee voor Cuba. Hoe dit precies gaat is nog steeds niet bekend. De paling voedt zich voornamelijk met kleine ongewervelden, maar ook vis. De paling komt in vrijwel heel Nederland voor, voornamelijk in die gebieden met een vrije toegang naar zee. De paling heeft een voorkeur voor het IJsselmeer, rivieren en grote plassen. Daarnaast wordt paling vaak als vis voor sport- en beroepsvissers uitgezet. Een grote paling is langer dan 70 centimeter en zwaarder dan 3 pond. De vis kan echter tot 120 centimeter groot en 10 pond zwaar worden. Vangsten van meer dan 3 pond zijn een zeldzaamheid. Het Nederlandse record staat sinds september 1996 op 135 centimeter bij 14 pond. Deze vis werd in het Markermeer middels een fuik gevangen. Het RIVO in IJmuiden schatte de leeftijd van de paling op ongeveer 30 jaar!

Vanaf 1 januari 2009 is een verbod ingesteld voor alle sportvissers om paling mee te nemen!!! De gevangen paling dient direct in hetzelfde water te worden teruggezet. Neem deze maatregel in acht en handel als zodanig...